Op 30 oktober 2017 hield Gijs Scholten van Aschat de volgende speech tijdens de Dag van de Stad - Utrecht in het Werkspoorkathedraal.

Allemaal steden

de stad weifelt over de huizen 
de morgen vaart over de daken 
de stad binnen 
de zon staat op tussen de huizen 
onder carillonmuziek 
de mensen wandelen in het donker 
als het elf uur is 

de zon spoelt aan op de daken 

aan het strand van de verten 
ligt de stille zee der lucht 
waarin het schip van een kerktoren 
flikkert 

in de buik van de stad 
drinken wij koffie 
en de stad zeilt verder. 

uit: Het innerlijk behang, 1950.

Schrijver: Hans Lodeizen

Inleiding

Zonder eigenzinnigheid verliest de stad zijn aantrekkelijkheid! Als ik de wereld nog een keer mocht toespreken over de stad – en dat is ons als sprekers vandaag gevraagd – dan is dat mijn belangrijkste boodschap. Met dank aan enkele bewoners in Amsterdam die dit in dikke zwarte letters op een groot spandoek in de Sint Anthonie Breestraat hebben geschreven en waar ik zaterdag langsfietste. 

Eigenzinnigheid, verscheidenheid, diversiteit, vrijheid om anders te denken, ruimte om te bewegen, te onderzoeken, anderen te ontmoeten en te ontdekken. Dat maakt de stad een plek waar velen willen leven en werken. Die aspecten van de stad vormen belangrijke onderdelen van de publieke ruimte. En daar wil ik het vandaag onder meer over hebben. 

Ik vind dat die publieke ruimte steeds meer wordt ingenomen door commerciële partijen. Dat was oorspronkelijk niet de bedoeling van de publieke ruimte. Ooit toen de mensen in lang vervlogen tijden hun zwervend bestaan inruilden voor meer permanente verblijfplaatsen ontstonden er dorpen en steden.

Iedereen bouwde zijn eigen huis, maar er bleek ook behoefte aan een plek om elkaar buiten het huis te ontmoeten. Die plek lag centraal en al snel kwam men tot de conclusie dat het misschien handig was om deze gemeenschappelijke plek zo vorm te geven dat regen en zon er geen invloed op hadden.

De markt ontstond. Iedereen hielp mee om hem te maken omdat ook iedereen er gebruik van maakte. Hij was van iedereen. Al snel werd hij niet alleen gebruikt om samen te komen en te praten, maar ook om dingen te ruilen, te kopen en te verkopen. 

Hier begon het publieke domein.
Gemaakt voor en door de gemeenschap.
Uiteindelijk resulteerde dit inzicht dat alles wat voor het algemeen nut bestemd was in de overheid. Die overheid gaf vorm aan het algemeen belang.

Sinds de jaren tachtig is door de opkomst van het neoliberalisme de idee in zwang geraakt dat de rol van de overheid beter door de markt gespeeld kon worden. Dat zou efficiënter zijn, omdat de markt door middel van concurrentie en competitie voor de burger het beste en goedkoopste resultaat zou opleveren.
Met het argument dat de overheid verspillend was en traag en monopolistisch.

Maar hoe zit het nou met het publiek domein, de ontmoetingsplaats van de gemeenschap in de hedendaagse stad met al haar nieuwe vraagstukken als gevolg van de groeiende bevolking? De plek die ontstond uit de noodzaak om te ontmoeten, gedachten en goederen uit te ruilen en die van iedereen zou zijn? 

Mijn stelling: Bij een toename van commerciële partijen neemt het aantal publieke ruimtes af.

Publiek domein 

Postkantoren zijn verdwenen, treinstations worden alleen toegankelijk voor de reiziger. Binnensteden verliezen authenticiteit door de commerciële eenvormigheid. De hedendaagse markt is losgezongen van het algemeen belang of, zoals dat ooit zo mooi heette, de gemeenschapszin. Je kan moeilijk volhouden dat de markt het publieke domein een warm hart toedraagt. 

In de stadsontwikkeling zien we de laatste jaren een terugkerend fenomeen.

Gebieden en terreinen die buiten de stadskern liggen (verlaten fabrieksterreinen, lege kantoren, etc.) en onaantrekkelijk worden gevonden door gemeente en ontwikkelaars, worden meestal als eerste ontdekt door avonturiers, kunstenaars, studenten en jonge start-ups. 

Ze kraken of huren tegen lage prijzen, leggen een basis infrastructuur aan, organiseren feesten, er komen kleine festivals, kunstenaars hebben er atelier- of repetitieruimtes. Er komt leven in de brouwerij. Langzaam wordt het terrein ontdekt, eerst door studenten en later volgen de jonge hipsters en in no time is het de place to be. 

De gemeente wordt wakker, slaat de handen ineen met ontwikkelaars, de grondprijs stijgt en de oorspronkelijke ontwikkelaars worden vriendelijk verzocht hun biezen te pakken, of geconfronteerd met absurd hoge huren, en de gemeente en de projectontwikkelaars kunnen hun gang gaan. 

Een voorbeeld uit jullie eigen stad is Kytopia, het muzieklaboratorium van Colin Benders alias Kyteman. In de voormalige Tivoli aan de Utrechtse Oudegracht is Kytopia gevestigd: een laboratorium voor muziekpioniers, In de diverse studio’s, van de garderobe, via de voormalige kassa tot de oud-kleedkamers, wordt nieuwe muziek ontwikkeld, in zo ongeveer alle genres. 80 mensen werken er en inspireren elkaar. 

Maar nu moeten ze weg. Ze krijgen een nieuw gebied aangewezen. Hier in deze buurt. Maar de gemeente kan niets beloven of garanderen. En zo komt die hele dynamiek van vestiging, opwaardering en verhuizing, weer op gang.  

Het Oude Tivoli was natuurlijk niet het enige leegstaande pand in Nederland. 

Een ander voorbeeld hiervan bevindt zich in Ede.
Een statig militair terrein met daarop een 19e eeuwse Friso kazerne.
Een gebouw betaald met publieke middelen en dus deel uitmakend van het publiek domein.
Een aantal culturele ondernemers vatte het plan op om deze Kazerne, waarvoor de gemeente Ede geen directe bestemming had, met behoud van de historische waarde om te vormen tot een trainings- en ontmoetingscentrum voor muziek, dans en theater, met repetitieruimtes, een kleine concertzaal, eet- en slaapgelegenheid. Het plan kreeg groen licht en in 2014 opende Koning Willem Alexander Akoesticum. Zelfs internationale koren en orkesten die Nederland aandoen, weten deze plek te vinden. Het is een succes. Dat ziet ook gemeente Ede. Ze proberen het onderhands te verkopen zonder de huurders daarvan op de hoogte te brengen. Ze willen ontwikkelaars interesseren om de rest van het pand commercieel te verhuren of te verkopen.
En dat, terwijl er toch een culturele bestemming opzit.
Schimmige praktijken! 

Keer op keer blijken gemeentes vooral uit te zijn op het verkopen van panden die eigenlijk bij het publiek domein horen, in plaats van ze te ontwikkelen op een manier waarvoor ze eigenlijk bedoeld zijn. Voor en door de gemeenschap.

Stichting RAAAF onderzocht de leegstand van publieke gebouwen en kwam tot de ontdekking dat er wel zo’n 10.000 panden, met een oorspronkelijke publieke functie leegstaan.

De overheid zal zich moeten realiseren dat al die ex-publieke ruimtes, die nu leeg staan maar één keer verkocht kunnen worden, en daarna nooit meer. Je bent ze kwijt en ze komen niet meer terug. Terwijl je ze in verschillende tijden op verschillende manieren kunt hergebruiken. Steeds weer. Ze zijn gemaakt met geld van de gemeenschap voor de gemeenschap. Zoals ooit de markt ontstond. 

Wat helaas zo vaak ontbreekt in het creëren van het publieke domein is de verbeelding. Hoe ziet de ruimte eruit tussen de te ontwikkelen gebouwen.

Kunstenaars kunnen hierin een rol spelen. De overheid en de ontwikkelaars denken aan de vierkante meters die ze gaan vullen, hoe meer hoe lucratiever, maar missen de noodzaak en het voorstellingsvermogen om de leegte (als die er al is) erom heen vorm te geven. 

En Gemeentes: zorg ervoor dat je die kunstenaars koestert en financieel ondersteunt voor hun cruciale bijdrage aan de stedelijke ontwikkeling. Ontwikkel een beleidskader waarbij er allerlei stimuleringsmaatregelen komen voor de ontwikkeling van broedplaatsen en zorg dat er een deel van de waardestijging van het gebied ten goede komt aan de inzet van de pioniers die het aandurven om die schijnbaar onbegaanbare locaties nieuw leven in te blazen. 

Culturele spreiding 

Er is een voortgaand debat over de culturele spreiding. Voor een groot aantal politieke partijen is spreiding van aanbod een belangrijk punt in het partijprogramma. Terecht wordt opgemerkt dat een uitgebreid en divers cultuuraanbod niet alleen voorbehouden moet zijn aan de Randstad, maar dat juist de provincie niet vergeten mag worden. Hoe vorm kan worden gegeven aan een dergelijke spreiding, schrijven ze er niet bij. Als lezer van deze programma’s kun je je soms maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat het hier gaat om kiezersbeloften voor het electoraat dat in de provincie woont. Door de belofte van culturele spreiding klinkt dan vooral een andere boodschap heen: 'laat het duidelijk zijn, de provincie mag niet vergeten worden!' 

Maar voordat men dan wel voor dan wel tegen spreiding van het cultuuraanbod gaat argumenteren, is het verstandig om een andere, meer analytische vraag te stellen: 

Hoe komt het eigenlijk dat het merendeel van het cultuuraanbod zich in de Randstad bevindt? 

Een eenvoudige, maar daardoor niet minder belangrijke verklaring kan gevonden worden in de arbeidsmarktpositie van kunstenaars. Die is, zoals door de SER en de Raad voor Cultuur nu onomstotelijk is vastgesteld, deplorabel. Het merendeel van de kunstenaars (zo’n 85%) is ZZP-er, wat betekent dat deze kunstenaars meerdere werkgevers hebben. Vaste contracten zijn schaars, alles moet flexibel zijn. En laat nu juist de overheid zelf daarvoor gezorgd hebben. 

Met een onzeker bestaan, afhankelijk van de enkele opdrachten die je weet binnen te hengelen, ga je dicht bij die stek zitten, waar de kans op een goede vangst het grootst is: Als je visser bent ga je in Scheveningen wonen of aan het IJsselmeer, maar niet op de Veluwe. En waarom zouden kunstenaars anders denken? Het heeft geen zin om als acteur in hutje op de hei te gaan wonen, als de meeste podia zo’n 100 km verderop liggen (ja, dat is de afstand van de Stadsschouwburg Amsterdam naar het Kröller-Müller op de Hoge Veluwe). 

Daar komt nog bij dat noch de gezelschapscultuur noch het ensemble-denken bij de korte termijnvisie van het marktdenken passen. Een deel van de arbeid in de cultuursector is seizoensarbeid. Neem mijn eigen discipline: het theater. Volgens de principes van de markt moet een gezelschap zich afvragen waarom het iemand voor 12 maanden zou betalen als je hem maar 9 nodig hebt. Voorheen gebeurde dat nog wel. Het ensemble had namelijk een verantwoordelijkheid naar twee kanten: het publiek moest bediend worden en het ensemble moest zich ontwikkelen. Die twee waren, en zijn eigenlijk nog steeds, inherent met elkaar verbonden: hoe beter het ensemble zich ontwikkelt hoe beter het publiek bediend kan worden. Natuurlijk, het kost geld, al die mensen met een vast contract. Maar je krijgt er ook iets voor terug: een ontwikkeling van een stijl, een verdieping, een visie, diversiteit, een gedeelde verantwoordelijkheid en een gemeenschapszin binnen het ensemble. Zijn dat nou niet precies die kwaliteiten waar de politiek zo naar op zoek is? 

Verdieping.
Gemeenschapszin.
En diversiteit.  

Het zijn stuk voor stuk kwaliteiten die alleen door duurzame investeringen gerealiseerd en ontwikkeld kunnen worden. Daarvoor moet je niet alleen een leuk festival financieren of investeren in andere kortetermijntrajecten. Vertrouwen en tijd, niet financiële middelen, zijn dan van levensbelang. Geef instellingen de tijd en het vertrouwen, en voldoende middelen om talent te binden, ze goed te betalen en een perspectief te bieden, zodat zij jou een perspectief kunnen bieden. 

Is dat dan hoe je een bloeiend cultureel leven krijgt in middelgrote steden - steden die niet gezegend zijn met een BIS-gezelschap in eigen regio?
Ik denk niet dat het loont om alleen voorstellingen die in de randstad zijn gemaakt naar zo'n stad te halen. Het cultuuraanbod is niet hetzelfde als een supermarkt.
Volgens mij moet de stad of streek in kwestie in eerste instantie kijken naar de eigen verhalen en geschiedenissen. Wat zijn de verhalen en de onderwerpen die er toe doen in de streek? Wat voor aanbod heb je zelf?

Een mooi koor misschien.
Een prachtig harmonieorkest.
Of een balletschool met veel talent.

En vervolgens ga je onderzoeken wat er gebeurt wanneer je een groep die zijn wortels heeft in de Randstad, een kleine jonge groep die afhankelijk is van het Fonds Podiumkunsten, een onderdak biedt voor een aantal maanden. Met hen gaat de stad een verbond aan, een samenwerking. Zij verdiepen zich in de lokale geschiedenis en de onderwerpen die er in de streek leven. Vervolgens maken zij samen met die harmonie of met die balletschool, of met dat koor een voorstelling. Denk aan een soort: Artists in residence. Biedt hun een goed contract voor 4 maanden, met onderdak en een werkplek en wie weet leidt dit tot een structurele samenwerking. Of sterker nog: tot een kunstuiting waar de streek zich in herkent en zich bij betrokken voelt. Het is een investering die voor alle partijen interessant is: voor de makers, voor de stad en voor het publiek. 

Slot 

Graag heb ik dat de politiek zich met de kunst bemoeit en vice versa. Dat ze met ons in discussie gaat. Zich opwindt en zich uit. De enige voorwaarde daarvoor is een gemeende interesse. En een blijk van vertrouwen in ons.
Omgekeerd kan de politiek er van op aan dat wij ons mengen in politieke zaken die ons aan het hart gaan. Ik noem er een paar; het publiek domein, segregatie in de samenleving, de stand van zaken in het onderwijs, cultuureducatie en om dichter bij huis te blijven, de positie van de kunstenaar in Nederland. Dit kleine rare land is niet alleen goed in waterwerken en handel. Nee in alle kunstdisciplines staan wij aan de top in de wereld. Dat zeggen wij niet zelf, dat zegt het Buitenland. laten wij beginnen met daar trots op te zijn en het de waarde te geven die het verdient. 

 

Slot: gedicht Kunst – Martin Bril
gedicht (nr. 52):

Kunst
Wat we willen:
Momenten
Van helderheid
Of beter nog: van grote
Klaarheid

Schaars zijn die momenten
En ook nog goed verborgen

Zoeken heeft dus
Nauwelijks zin, maar
Vinden wel

De kunst is zo te leven
Dat het je overkomt

Die klaarheid, af en toe 

Uit: Verzameld werk. Gedichten (2002).