Column van Gijs Scholten van Aschat in Boekman 114, tijdschrift over trends in kunst en cultuur, over de rol die randstedelijke theatergezelschappen kunnen spelen in bestaande initiatieven van samenwerking op regionaal niveau.

Er is een voortgaand debat over de culturele spreiding. Voor een groot aantal politieke partijen is spreiding van het cultuuraanbod een belangrijk punt in de cultuurparagrafen van hun partijprogramma. Een uitgebreid en divers cultuuraanbod moet niet alleen voorbehouden zijn aan de Randstad, maar juist ook de provincie mag niet vergeten worden.

Hoe deze spreiding vorm moet krijgen, schrijven ze er niet bij. Je kunt je soms maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat het hier gaat om kiezersbeloften voor het electoraat dat in de provincie woont, waar de boodschap doorheen klinkt: ‘Laat het duidelijk zijn, de provincie mag niet vergeten worden!’

Voordat de discussie over de wenselijkheid van spreiding van het cultuuraanbod gaat losbarsten, is het verstandig een analytische vraag te stellen: Hoe komt het eigenlijk dat het merendeel van het cultuuraanbod zich in de Randstad bevindt?

Een eenvoudige, maar daardoor niet minder belangrijke verklaring kan worden gevonden in de arbeidsmarktpositie van kunstenaars. Die is, zoals de SER en de Raad voor Cultuur onomstotelijk hebben vastgesteld, deplorabel. Het merendeel van de kunstenaars (zo’n 85%) is zzp’er. Dat betekent dat zij vaak meerdere werkgevers hebben. Vaste contracten zijn schaars. Alles moet flexibel zijn. Met een onzeker bestaan, afhankelijk van de enkele opdrachten die je weet binnen te hengelen, ga je dicht bij die stek zitten waar de kans op een goede vangst het grootst is. Als je visser bent ga je in Scheveningen wonen of aan het IJsselmeer, maar niet op de Veluwe. En waarom zouden kunstenaars anders denken? Het heeft geen zin om als acteur in een hutje op de hei te gaan wonen, als de meeste podia zo’n 100 kilometer verderop liggen. En ja, dat is de afstand van de Stadsschouwburg Amsterdam naar het Kröller-Müller op de Hoge Veluwe.

Ensembledenken versus marktdenken

Daar komt nog bij dat noch de gezelschapscultuur noch het ensembledenken bij de kortetermijnvisie van het marktdenken passen. Een deel van de arbeid in de cultuursector is seizoensarbeid. Neem mijn eigen discipline: het theater. Volgens de logica van de markt behoort een gezelschap zich af te vragen waarom je iemand voor twaalf maanden zou betalen, als je hem er maar negen nodig hebt. Voorheen vond het ensemble dat het een verantwoordelijkheid naar twee kanten had: het publiek moest bediend worden en het ensemble moest zich ontwikkelen. Die twee waren, en zijn nog steeds, inherent met elkaar verbonden. Hoe beter het ensemble zich ontwikkelt, hoe beter het publiek kan worden bediend. Natuurlijk, het kost geld, al die mensen met een vast contract. Maar je krijgt er ook iets voor terug: een ontwikkeling van een stijl, een verdieping, een visie, diversiteit, een gedeelde verantwoordelijkheid en een gemeenschapszin binnen het ensemble. Zijn dat nou niet precies die kwaliteiten waar de politiek zo naar op zoek is?

Verdieping. Gemeenschapszin. En diversiteit

Het zijn stuk voor stuk kwaliteiten die alleen door duurzame investeringen gerealiseerd en ontwikkeld kunnen worden. Dus niet alleen investeren in kortetermijntrajecten zoals een leuk festival. Vertrouwen en tijd, niet financiële middelen, zijn dan van vitaal belang. Geef instellingen de tijd en het vertrouwen, en voldoende middelen om talent te binden, ze goed te betalen en een perspectief te bieden, zodat zij jou een perspectief kunnen bieden.

Is dat dan hoe je een bloeiend cultureel leven krijgt in middelgrote steden – steden die niet gezegend zijn met een BIS-gezelschap in eigen regio? Wie meent dat het loont om alleen voorstellingen die in de Randstad zijn gemaakt naar zo’n stad te halen, maakt een denkfout. Het cultuuraanbod is niet hetzelfde als een supermarkt. Veeleer is het als een legpuzzel of een soort Rubiks kubus. Je blijft draaien, verplaatsen en schuiven tot je denkt alle vlakken te kunnen bedienen en dan blijkt er nog steeds ergens een stukje te ontbreken.

Misschien zou de stad of streek in kwestie eerst moeten kijken naar de eigen verhalen en geschiedenissen. Wat zijn de verhalen en de onderwerpen die ertoe doen in de streek? En wat zijn de dromen die er leven?

Een mooi koor misschien.

Een prachtig harmonieorkest.

Of een balletschool met veel talent.

En vervolgens ga je onderzoeken wat er gebeurt wanneer je een kleine, jonge groep met wortels in de Randstad, die afhankelijk is van het Fonds Podiumkunsten, onderdak biedt voor lange tijd. Daarmee gaat de stad een verbond aan. Een samenwerking. De groep verdiept zich in de lokale geschiedenis en onderwerpen. Dan maakt zij samen met de lokale harmonie of de balletschool of het koor een voorstelling. Zoiets als een artist in residence. Bied de groep een goed contract voor lange tijd, laten we zeggen drie à vier maanden (voorbereiding, repetitie en uitvoering), met onderdak en een werkplek, en stimuleer samenwerking met talent uit de streek. Bezie of er een ruimte beschikbaar is, zoals cultureel erfgoed dat nu onbenut blijft. Om zoiets handen en voeten te geven zouden de wethouders van cultuur in de provincie en groepen die hierin geïnteresseerd zijn elkaar kunnen ontmoeten. Bijvoorbeeld door speed dating. Let maar op: ineens komt alles bij elkaar. Wie weet leidt dit tot een structurele samenwerking. Een theaterproject als Het Pauperparadijs laat zien dat dit kan. Sterker nog: het leidt tot een kunstuiting waar de streek zich in herkent en bij betrokken voelt. Het is een investering die voor alle partijen interessant is: de makers, de stad, politici en het publiek. En die laatste, dat is toch waar het uiteindelijk om draait.

Gijs Scholten van Aschat is voorzitter van de Akademie van Kunsten en is als acteur verbonden aan Toneelgroep Amsterdam. Hij speelde in talloze toneelstukken, films, televisieprogramma’s en -series.

 

Credits lead foto: Liesbeth Bik