Datum
04.03.2021

Cultuur als een diersoort op smeltend drijfijs? Leden van de Akademie van Kunsten schreven onlangs een reflectie op de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen.

Op 17 maart gaat Nederland naar de stembus voor de Tweede Kamerverkiezingen. Wat staat er in de partijprogramma’s over kunst en cultuur? En hoe zien de leden van de Akademie van Kunsten de programma's?

Jonas Staal, Anthony Heidweiler, Maria Barnas, Arnon Grunberg en Nelleke Noordervliet reageerden vanuit de stem van de maker. Ook zijn een aantal reflecties gepubliceerd door het NRC: Nelleke Noordervliet en Maria Barnas.

Een overzicht van de programma’s van partijen waar kunst- en cultuurbeleid aandacht krijgt, zijn door BK-informatie (het vakblad voor Beeldend Kunstenaars) op een rijtje gezet.

Reflectie Jonas Staal op de verkiezingen

Kunstenaars, stem een wereld

Als kunstenaar is het niet genoeg te stemmen op een politieke partij alleen omdat deze bereid blijkt de culturele sector financieel te ondersteunen. Want de waarde en betekenis van kunst en cultuur staan niet op zichzelf, hoe vaak de versleten beschrijving van de “intrinsieke waarde van kunst” in de cultuurdebatten ook langs mag komen. Kunst en cultuur bestaan niet in isolement, hun vorm en betekenis zijn mede de uitkomst van sociale, politieke, economische en ideologische krachten.

Door de geschiedenis heen heeft kunst en cultuur ten dienste gestaan van dominante machtsstructuren, of dit nu de kerk, de monarchie, de vermogende bourgeoisie of de staat was. Ook in recente tijden is dit het geval. Slinkende staatsfinanciering heeft kunst in handen gebracht van de 0,1% heersende klasse, als versiering voor de privéjacht of slimme investering met belastingvoordeel. Of, zoals het geval in Polen en Hongarije – en in de fascistoïde dromen van Thierry Baudet en Martin Bosma – dient de kunst autoritaire regimes en geeft zij vorm aan een mythische en gewelddadig etnisch nationalisme.

Nieuwe ideeën over kunst, over wie het maakt, wie er toegang tot heeft, en wie erdoor wordt vertegenwoordigd, is altijd het resultaat geweest van progressieve bewegingen en revolutionaire omwentelingen. Ook vandaag de dag zijn kunstenaars en cultuurmakers verbonden aan tal van emancipatorische politieke bewegingen, van Black Lives Matter tot Extinction Rebellion, om niet langer kunst te maken die de heersende macht dient, maar met kunst bij te dragen aan het verbeelden en realiseren van een nieuwe egalitaire samenleving.

Onze taak als kunstenaars zou niet moeten zijn te bedelen voor wat centen van de status quo, maar de status quo fundamenteel te ontmantelen. Met welke politieke partijen kunnen we ons verbinden in dit streven? Welke partijen omarmen de radicale, emanciperende verbeeldingskracht om niet alleen kunst, maar onze gehele samenleving te transformeren?

De Socialistische Partij loopt nog altijd voorop als het gaat om lokale mobilisatie en verzet tegen sloop van sociale huurwoningen en de precarisering van arbeiders. GroenLinks is transnationaal het meest succesvol als deel van het Groene blok in het Europees parlement. De Partij voor de Dieren verwerpt mens-centraal denken in naam van een planetaire politiek. NIDA is uniek in haar religieuze inspiratie als basis van progressieve politiek. De Piratenpartij staat als enige een wezenlijke digitale revolutie voor. BIJ1 loopt het verst voorop in haar gelijktijdige strijd tegen neokolonialisme, kapitalisme en institutioneel racisme, en stelt een “intersectionele” politiek voor, wat zoveel wil zeggen dat zij de crises van onze tijd – klimaatverandering, etnisch profileren, economische precarisering, seksisme en uitbuiting van het globale zuiden – niet als geïsoleerde fenomenen beschouwd, maar intrinsiek met elkaar verbonden. Om deze crises te bevechten is systeemverandering noodzakelijk, en dekolonisatie een sleutelwoord.

Geen van deze voorbeelden uit de partijprogramma’s gaat direct over kunst. Zij gaan over de wereld waarin wij kunstenaars zijn, en over de nieuwe werelden en werkelijkheden die wij via ons artistieke werk kunnen helpen verwezenlijken. Vanzelfsprekend zijn de cultuurparagrafen hierin van belang, daar vinden we voorstellen cultuurbezuinigingen terug te draaien, koloniale roofkunst te retourneren, cultuureducatie te bestendigen, vrijplaatsen te steunen en een accurate representatie van kunst en cultuurgeschiedenis in musea, theaters en de publieke omroep te garanderen (veelal aangeduid middels de term “diversiteit”). Dat alles is essentieel voor de kunst, maar nog niet genoeg voor de wereld.

Op dit moment stevenen we af op een winst van de VVD, gevolgd door de PVV. Twee partijen die de rechtstaat structureel ondermijnen, racisme legitimeren en propageren, en klimaatcatastrofe óf bagatelliseren óf zelfs geheel ontkennen. In hun realiteit is er voor kunst alleen plek als versiering voor bankiers of als nationalistisch cultuurgeweld. Meer dan ooit hebben wij als kunstenaars een taak hun levensgevaarlijke agenda te bevechten door andere werelden van fundamentele gelijkwaardigheid uit te dragen en deze vorm, geluid, gevoel, ruimte en stem te geven.

Als we ons geen andere wereld kunnen verbeelden, dan kunnen we die ook niet realiseren. Kunstenaars, kies daarom op 17 maart niet voor de kunst alleen: stem een wereld.

Jonas Staal, kunstenaar propagandaonderzoeker en lid van de Akademie van Kunsten

Reflectie Anthony Heidweiler op de verkiezingen

Bomen die langzaam groeien krijgen diepe wortels

Binnen de faculteit filosofie aan verschillende nationale en internationale universiteiten is iets cruciaals aan het veranderen binnen het curriculum. De verandering is ingezet door studenten en ze wordt gevolgd door docenten die ruimte willen maken voor de studie naar filosofen buiten de West-Europese en Noord-Amerikaanse canon om. In een artikel in Trouw (2017) beschreef Kiki Kollman vanuit welke urgentie deze verandering plaatsvond: “Hoe kan filosofie ooit meer aantrekkelijk worden voor studenten met een diverse achtergrond, als zij zich niet herkennen in de docenten noch in de voorgeschreven auteurs.”

In de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen op 17 maart is het politieke signaal richting de kunsten duidelijk: investeer in culturele diversiteit. De overheid legt het beleid in eerste instantie neer bij de culturele instituten. Maar waarom wordt het kunstvakonderwijs niet nadrukkelijker uitgenodigd om een duidelijker diversiteitsbeleid te voeren, met bijbehorende financiële middelen? Om me heen zie ik de worsteling van de culturele instellingen met het onderwerp. De belangrijkste reden: het is moeilijk mensen van kleur te vinden omdat de huidige kunstvakopleidingen te wit zijn. Veel jongeren van kleur met ambitie om in de toekomst in de kunsten te werken, herkennen zich niet in het white framing curriculum van de opleidingen.

De oplossing lijkt me duidelijk: het kunstvakonderwijs moet investeren in onderzoek naar een geleidelijke verandering binnen het curriculum. Geef studenten en docenten aan de kunstvakopleidingen bijvoorbeeld de gelegenheid kennis te maken met andere kunsttradities. Door een oprechte interesse in diverse kunsttradities worden niet alleen de verschillen zichtbaar en hoorbaar, maar vooral ook de overeenkomsten waarvan we het bestaan niet eens wisten.

Als de politiek het beleid rond culturele diversiteit de komende decennia vooral concentreert op het kunstvakonderwijs, zullen jongeren met een cultureel diverse achtergrond eerder de keus maken voor een kunstopleiding. Ze kunnen er een breder wereldbeeld ontwikkelen, wat uiteindelijk leidt tot een grotere diversiteit van kunstdocenten voor de klas en kunstenaars op podia en in musea.

Er bestaat een prachtige uitdrukking die de politiek zich in de oren kan knopen: bomen die langzaam groeien krijgen diepe wortels. Geef de kunstensector in de breedste zin van het woord de tijd voor een diversificatie van het kunstbeleid. Daar is vanuit een scherpe dialoog, tijd en rust voor nodig, trek er zeker 20 jaar voor uit.

In een tijd met allerlei onzekerheden en gevaren voelt iedereen op de een of andere manier de urgentie om de wereld opnieuw te bekijken. De kunsten kunnen en moeten daarin een inspirerende rol spelen. Kunst is per slot van rekening een vitaal onderdeel van onze wereld. En natuurlijk moet de overheid (op gepaste afstand) deze omslag omarmen. Geen verstikkende omhelzing, geen koude douche van codes en regels, niet beleren, maar stimuleren.

Anthony Heidweiller, operamaker en lid Akademie van Kunsten

Reflectie Maria Barnas op de verkiezingen

Vaarwel

Het kan zijn dat ik een te hoge verwachting heb van cultuur. Naar mijn idee is cultuur allesomvattend als het landschap dat mij omringt. Het kan de vorm aannemen van een steeg, een plein, een park, een polder, een zeewering met de zee daarachter en het denkbeeldige landschap dat er altijd doorheen schemert: wat ik me herinner, waar ik liever zou willen zijn.

Deze voor mij haast vanzelfsprekende vermenging van werkelijkheden maakte wellicht dat ik me meer thuis voelde op de kunstacademie dan op de universiteit. Halverwege de jaren '90 heb ik een jaar Engels gestudeerd. Wat ik me daarvan herinner - en ik sluit niet uit dat ik er iets bij heb verzonnen - is dat het woord landschap door de Friezen is meegenomen naar Engeland. Je hoort er nog steeds iets Noord-Hollands in: landskap - klanken die in de Engelse mond gemakkelijker liggen als landscape.

Een van de mooiste woorden die de Engelse taal heeft verrijkt, is 'vaarwel'. Ik stel me daarbij voor dat zeelui werden uitgezwaaid door familieleden, die vaarwel nog letterlijk bedoelden: vaar goed, kom veilig thuis. Toen een terugkeer uitbleef, kreeg het woord aan beide zijden van de Noordzee een meer onheilspellende betekenis. Wie vaarwel nu in de mond neemt, spreekt een lange geschiedenis uit van verlangen en vervormde betekenis.

Het kan zijn dat ik een te hoge verwachting heb van wat taal vermag. Het kan zijn dat ik een te hoge verwachting heb van hoe mensen zouden kunnen omgaan met het begrip 'cultuur'. Wanneer ik de politieke programma's van de meest prominente partijen lees, krijg ik de indruk dat zij cultuur zien als een diersoort op smeltend drijfijs dat een geklimatiseerd, omheind park nodig heeft of op z'n minst een reddingsbrigade om uitsterven te vertragen.

Het CDA ziet weliswaar dat taal, cultuur, religie, tradities en folklore een rol spelen bij identiteit en verbondenheid, maar ziet - net als de SP - de vruchten daarvan bij voorkeur terug in een historisch museum. De ChristenUnie meent dat kunst, cultuur en creativiteit de samenleving verrijken. Het is het snufje zout op de aardappel, zou je kunnen zeggen.

D66 heeft de meest gerichte plannen om de positie van de kunstenaar te versterken: de partij ziet kunst en cultuur als een fundament, maar ook als iets waar iedereen van zou moeten kunnen genieten. Uit die toevoeging blijkt dat cultuur niet wordt gezien als iets wat vanzelfsprekend al van iedereen is. En waarom moet er altijd genoten worden van cultuur? Kunst kan - als deel van het leven - verschrikkelijk zijn.

De VVD wil hedendaagse cultuur graag toegankelijker maken en geeft daarbij een voorbeeld uit 1581. GroenLinks vindt dat de waarde van cultuur wordt miskend. De partij wil investeren in kunst en cultuur, met extra aandacht voor inclusie, diversiteit en jonge talenten en met goede arbeidsvoorwaarden voor kunstenaars en mensen achter de schermen. Met de beste bedoelingen richt GroenLinks zich daarmee uiteindelijk op niet meer dan een actieve reddingsbrigade.

Geen van de partijen zegt: wij zijn onze cultuur, cultuur bepaalt wie wij zijn. Nergens lees ik:

kunst is noodzakelijk om onze cultuur te bevragen en aan te scherpen.

Wie van cultuur iets bijzonders maakt dat hulpbehoevend is, zegt er 'vaarwel' tegen. Cultuur behoeft - net als ons landschap dat (inclusief koeien in de wei en KLM-vliegtuigen aan de blauwe hemel) te zien valt als één groot gesubsidieerd kunstwerk - stelselmatig aandacht en financiële ondersteuning omdat cultuur is wie we zijn. En - misschien nog wel belangrijker - wie we zouden kunnen zijn.

Maria Barnas, schrijver en lid van de Akademie van Kunsten

Reflectie Arnon Grunberg op de verkiezingen

Visioenen

Op het eind van de lagere school, ik moet een jaar of elf zijn geweest, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik vroeg een lijst aan met alle Tweede Kamer-leden en de politieke partijen verzocht ik om hun partijprogramma aan mij op te sturen. Dat deden ze allemaal. De titel van het partijprogramma van de PvdA, dat kan ik me nog goed herinneren, luidde Weer Werk. Ik vond dat toen al een beetje een flauwe woordspeling. Het huidige partijprogramma van de VVD heet Samen aan de slag – nieuwe keuzes voor een nieuwe tijd, waaruit ik opmaak dat in veertig jaar veel is veranderd maar minstens zoveel hetzelfde is gebleven, alleen de poging tot woordspeling heeft men begrijpelijkerwijs grotendeels opgegeven.

Als kind vond ik dat de partijprogramma’s nauwelijks leesbaar waren, ook daarin is niet echt verandering gekomen. Al vind ik dat minder erg dan toen. Een verkiezingsprogramma dat leest als een roman is slecht nieuws, voor de roman en voor de democratie. De opvatting dat politiek hevige emoties dient op te roepen deel ik niet, het zijn doorgaans politici die weinig respect hebben voor de rechtsstaat en de democratie die de heftigste emoties doen ontbranden.

Belangrijker dan die verkiezingsprogramma’s zelf – iedereen die zelfs maar slordig het nieuws volgt, weet ongeveer wat hij daarin kan aantreffen – is de verhouding tussen burger en staat, tussen ingezetene en overheid en juist daarover zwijgen die programma’s veelal.

De econoom Bas Jacobs stelde dat de politicus een loodgieter is die kapotte leidingen komt repareren. Daar zit wat in, de overheid repareert de leidingen, metaforisch en minder metaforisch, en vernieuwt waar nodig zodat ze niet, zoals onlangs in Texas, bevriezen als een sneeuwstorm onverwacht toeslaat.

Met utopieën zou de overheid niets te maken moeten hebben. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt (1918-2015), van de SPD, dus onverdacht, zei: ‘Wer Visionen hat, sollte zum Arzt gehen.’

Dat geldt niet noodzakelijkerwijs voor de burger maar wel voor de politicus, zeker in een land als Nederland. Het zogenoemde American exceptionalism is weinig anders dan een langdurig en hardnekkig visoen, vandaar dat de relatie politicus-visioen daar schijnbaar innig is. Maar in Europa zijn wij na de twintigste eeuw bekomen van visioenen en het is die consensus, die onder druk staat, die ik met vuur wens te verdedigen. Je hoeft geen conservatief te zijn om te beseffen dat er in de status quo heel wat het verdedigen waard is.

Geleidelijk aan, en niet uitsluitend onder druk van de pandemie, is de politicus steeds minder loodgieter geworden en steeds meer behandelend geneesheer en de burger steeds minder burger en steeds meer patiënt met diverse gradaties van mondigheid waarbij klasse en discriminatie een belangrijke rol spelen. Een loodgieter is geen geneesheer, het lichaam is geen rioolbuis. De medicalisering van de samenleving is geen gunstige ontwikkeling, want zo ontrafelt het sociale contract tussen burger en staat. Wie namelijk genezing van de staat verwacht, zal vroeg of laat teleurgesteld zijn. (Ik gebruik de woorden overheid en staat hier door elkaar, ik definieer overheid als staat in uitvoering.)

De staat is een noodzakelijk kwaad die met behulp van talloze bureaucratieën een balans probeert te vinden tussen dat kwaad en de noodzakelijke functies die hij probeert te vervullen. Het leger is nog altijd een uitstekend voorbeeld van een gigantische bureaucratie in actie met alle problemen die daarbij horen; nog niet lang geleden werden oorlogen verloren omdat de bevoorrading van soldaten stokte.

Velen klagen nu al bijna een jaar dat de overheid faalde in het aangezicht van de pandemie. Maar zoals ik niet in een land wens te leven waar geen criminaliteit meer bestaat, zo moet ik er niet aan denken in een land te leven waar de overheid volledig adequaat en feilloos had weten te reageren op de pandemie. In zo’n land is de balans tussen het kwaad dat de staat altijd is en de functies die hij nu eenmaal moet vervullen verstoord, oftewel de balans tussen macht en onmacht.

Ik pleit voor een sociaal contract tussen burger en staat gebaseerd op realistisch mededogen, van beide kanten.

Deze woorden van Beckett zijn bijna een cliché, maar ze komen juist nu van pas: Fail again. Fail better.

Wat de verkiezingen betreft, alles maar geen visioenen, geen visoenen over een islamvrij Nederland, geen visioenen over een Nederland zonder de EU, geen visioenen over een terugkeer naar een verleden dat nooit heeft bestaan.

Voor visioenen kunt u bij mij terecht, uw romanschrijver.

Arnon Grunberg, schrijver en lid van de Akademie van Kunsten

Reflectie Nelleke Noordervliet op de verkiezingen

Alsof ze me een bak koud geworden havermout voorzetten... Met lange tanden begin ik, schuif het bord van me af. En hoor mijn moeder: 'In de oorlog...' Ja, in de oorlog. Ik probeer het. Eet. Ik laat de brij van woorden op spitzen dansen, lees ze ademloos van spanning voor, bouw er torens van Babel van, knijp ze als tubes verf uit over mijn canvas. Vergeefs. De verbeelding wil maar niet aan de macht komen. De verbeelding heeft groot gelijk.

            De delen van de verkiezingsprogramma's die ons als makers direct aangaan bevatten vrome woorden, plichtmatige woorden, overspannen woorden, korte woorden, goedbedoelde woorden, want 'we moeten het ook even over kunst en cultuur hebben.' Zelden krijgen de paragrafen over onweegbare waarden een golf amendementen op partijcongressen. Het zijn hamerstukken. De partijen laten er hun sleutelwoorden op los. Dan krijgt de tekst veel 'inclusiviteit' of 'gelijkheid' of juist 'diversiteit', of 'trots'. Wat dat betreft laten kunst en cultuur alles toe. Hoeren zijn het. Eén partij houdt het kort: de PVV vindt dat alle subsidies voor kunst en cultuur moeten worden afgeschaft en verder kan het ze geen reet schelen. De PVV-stemmer geeft er niet om. Hij wantrouwt alles. Die kunstenaars gaan hun gang maar, maar niet van mijn centen. Dat is tenminste eerlijk. Daar kan de kunstenaar zich toe verhouden.

            De programma's zijn papieren façades. Erachter kan niet gewoond worden. Uit de geduldige woorden wordt in ieder geval eens te meer duidelijk dat politiek en kunst in hun wezen nogal aan elkaar tegengesteld zijn. Kunstenaars zoeken de grenzen van de regels op, herschrijven ze, blazen ze op, hebben er lak aan, vinden nieuwe uit. En als ze de traditie eerbiedigen dan op hoog niveau. Politiek daarentegen is het compromis, het stellen van grenzen, het aanmeten van keurslijven, het formuleren van regels. De politiek zou baat kunnen hebben bij de creativiteit van kunstenaars, en soms zien we een politicus die in zijn optreden en visie blijk geeft van artistieke bevlogenheid, maar die wordt al snel ingekapseld en onschadelijk gemaakt of verdwijnt van het toneel.

            Moet de overheid en dus de politiek kunst en cultuur bevorderen en steunen? Dat is de eerste vraag. Ja, zeg ik, zoals de overheid wegen aanlegt en openbaar vervoer bevordert: het zijn middelen om elkaar te bereiken. Noodzakelijk. Zonder vrome of loze woorden.       

            'Fair practice.' Ja natuurlijk. Hap slik. 'Auteursrecht.' Jaja. Hap slik. 'Erfgoed toegankelijk voor iedereen.' Top. Hap slik. 'Bibliotheek maatschappelijk belangrijk.' Natuurlijk. Hap slik. 'Streng controleren op diversiteit en inclusiviteit.' En dan? Hap slik. 'Wij willen dat er in deze zware tijd voor de zorg altijd voldoende ruimte is voor zingeving. Dit geldt voor ouderen en patiënten, maar ook voor de professionals in de zorg.' Pardon? Bij kunst en cultuur? Hap slik. 'Het is het waard te investeren in kunst en cultuur.' Hè? Wat is 'waard'? Wat is 'het'? Hap slik. 'Er wordt een investeringsverplichting ingesteld voor de Nederlandse film en series, zodat de opbrengsten gebruikt kunnen worden om weer nieuwe content te kunnen maken.' Hm. Nogal gratuit opgemerkt, zou ik zeggen. Hap slik hap slik enzovoort.

            Ho, stop! Lekker makkelijk, die cynische toon!

            Wat moeten politici zeggen? Wat moeten ze doen?

            Wij kunstenaars moeten dat bord havermout opzijschuiven, een eigen beginselverklaring en een eigen program schrijven, waaraan we elke vier jaar de politieke programma's toetsen!

            Maar...

            Help,  ik voorzie hooglopende meningsverschillen, zouteloze compromissen, betekenisloze sleutelwoorden, identiteitskwesties, uitsluitingen, slaande deuren, geheim overleg, tubes verf die we op elkaar uitknijpen, striemende hekeldichten, schokkerige docu's, schrille kakofonieën.

            Wat ga ik doen op 17 maart? Ik weet het: als het hele program me voldoende bevalt - en dat blijft moeilijk - bevalt de paragraaf over de kunsten me ook. Verder vind ik dat het gesprek van de Akademie met politici minder vrijblijvend en frequenter moet zijn. Havermout, nee.

Nelleke Noordervliet, schrijver en lid van de Akademie van Kunsten

Lead photo credits

Titel: New World Summit - Rojava
Jaar: 2015-18
Kunstenaar: Democratische Zelf-Administratie van Rojava en Studio Jonas Staal
Foto: Ruben Hamelink