Datum
07.10.2016

Barbara Visser hield tijdens een bijeenkomst over de toekomst van het cultuurbeleid vanaf 2021 bij het ministerie OCW op 26 september 2016 een toespraak over: In een eigen baan om de aarde: over de toekomst en het cultuurbeleid.

Geen fijnere vraag aan de kunstenaar dan die om in de toekomst te kijken. Dat is het moment dat we onze verbeelding de vrije loop laten en fantaseren over hoe de samenleving er over tweeduizend, vijfduizend of tienduizend jaar uit zal zien, ervan uitgaand dat er überhaupt nog zoiets als een samenleving bestaat – en ons daarbij terloops afvragen: wat is de rol van kunst daarin?

Tegelijkertijd besef ik dat hoezeer we ook ons best doen om visionair te zijn, iedere toekomstfantasie eigenlijk meer zegt over de verlangens die wij nu, vandaag over die toekomst hebben. Dat is nu niet anders dan in het verleden. Daarom wil ik eerst even een stap terug doen in de tijd en twee historische toekomstvisies in herinnering brengen.


De speeltuin als utopie

121 jaar geleden schreef Herbert Wells het boek The Time Machine (1895). Daarin schetst hij een wereld, honderdduizenden jaren in de toekomst, waarin tamelijk domme en een obscure taal sprekende wezens de dienst uitmaken. Deze figuren leven in een soort tuin die is gegroeid op de overblijfselen van wat ooit de stad Londen was. In eerste instantie heeft de ik-figuur (een wetenschapper, hoe kan het ook anders), de indruk in een waar Utopia te zijn beland, waarin niet langer sprake is van hiërarchie, criminaliteit en oorlog. Maar schijn bedriegt. Al snel leert hij dat de mens alle politieke, technologische en creatieve middelen heeft ingezet om de natuur naar haar hand te zetten. Het resultaat is een volkomen instrumentele benadering van het leven. Er ontstaat een wereld waarin de ratio zo allesoverheersend is dat iedere vorm van verbeeldingskracht en nieuwsgierigheid verdwijnt.

Een op het eerste gezicht aantrekkelijker verbeelding van een Utopische wereld is die van New Babylon, het sociaal en architectonisch visioen van kunstenaar Constant, waarin de mens niets anders rest dan eindeloos spelen: in zijn imaginaire stad is de mens weliswaar bevrijd van arbeid, maar ook de kunst lijkt daarmee te zijn verdwenen. Niet omdat zij is wegbezuinigd, of het heeft af moeten leggen tegen een alsmaar toenemende mechanisering; nee, omdat het leven, in al haar vrijheid, zelf volledig is opgegaan in de kunst. Maar als alles kunst is, waar is dan nog het leven waartoe de kunst zich moet verhouden? Een in sommige opzichten misschien nog veel somberder scenario: de wereld één grote vrijblijvende speelplaats.


De toekomst van het cultuurbeleid: een gedachtenexperiment?

Een toekomstvisie is een gedachte-experiment met de verbeelding als instrument. Zowel wetenschap, filosofie als kunst maken daar gebruik van, en niet alleen om een hypothese te testen, maar juist ook om nieuwe en verfijndere vragen op te roepen. De vragen die de utopieën van Wells en Constant oproepen zijn ook de vragen die vandaag nog altijd van belang zijn: namelijk: hoe ziet een wereld zonder kunst er uit? Of: hoe fijn is een maatschappij waarin alles spel is en werk niet meer bestaat?

Deze vragen voeren naar de kern van het Nederlandse cultuurbeleid, dat gekenmerkt wordt door de spanning tussen enerzijds de conservatieve wens om te behouden wat voor de toekomst belangrijk wordt geacht, en anderzijds de wil om voldoende flexibel te zijn om ruimte te scheppen voor het nieuwe.

De eerste vraag die ik in het licht hiervan zou willen stellen is: hoe kunnen we komen tot een gedeeld narratief waarin de kunstenaars, kunstinstellingen en beleidsmakers zichzelf in relatie tot elkaar én het publieke domein op zo’n manier plaatsen dat verleden, heden en toekomst samenkomen? Wat is ons gedeelde verhaal? Ligt dat besloten in het erfgoed dat onze gedeelde geschiedenis herbergt? Wellicht is dat zo. En waarom zou je dat loskoppelen van wat nu is of nog moet komen? Jonge makers werken aan ons erfgoed van de toekomst. Met andere woorden: wat is de relatie tussen waar we vandaan komen en waar we heen willen, en waarom lijkt die relatie nu zo lastig te verwerken in termen van beleid?

In mijn toekomstvisioen spreken wij als kunstenaar niet alleen met de beleidsmakers van cultuur, maar ook nadrukkelijk met de mensen die daar onlosmakelijk mee verbonden zouden moeten zijn: die van de O van Onderwijs en van de W van Wetenschap.

Aangenomen dat wij niet in een van de twee eerder genoemde dystopische modellen terecht willen komen, moeten we ons afvragen of dat lukt door almaar schipperend tussen die twee uitersten in te blijven hangen. Het zou kunnen helpen om samen met de kunstenaars zelf de ruimte te vinden om de materie een moment te ontstijgen, een moment magisch te denken zou ik haast zeggen. Groter en integraler, maar ook kleiner en specifieker waar dat nodig is.


Publiek beleden liefde

Dat zou daarnaast kunnen leiden tot een beoordelingsmaatstaf in de kunsten waar kwaliteit vooraf gaat aan kwantificeerbare eisen. Ontwerp een model dat uitgaat van vertrouwen en verantwoordelijkheid, in plaats van de impliciete aanname van conflict (verantwoording vooraf).
Interesse in het proces en de uitkomsten zijn niet hetzelfde als bemoeienis met de inhoud. Het Mediafonds – ook gesneuveld in de bezuinigingen – was hier een lichtend voorbeeld van.

Het is ook een verhaal waarin het burgerschap van de betrokkenen zich niet meer beperkt tot één enkele positie: “ik ben kunstenaar dus ik hoef me niet te verhouden tot de samenleving”; of, vanuit de politicus bezien: “Ik heb al voor de budgetten gezorgd dus ik hoef het belang niet meer uit te dragen”; of, vanuit het publiek: “omdat ik al belasting betaald heb” maar een betrokkenheid die gebaseerd is op de overtuiging van een gedeeld belang (wat iets anders is dan een gedeelde mening of smaak).

Publiek beleden liefde voor de kunsten door anderen dan de makers zelf zou een hoop kunnen veranderen. Hoe geweldig zou het zijn als politici hun daden – het scheppen van goede condities voor de kunstsector – ook in woorden omzetten? “Geen daden maar woorden”, zou ik willen zeggen.
Zij zouden dan liefst niet alleen de economische kaart trekken, maar refereren aan een mogelijk zelfbeeld, aan een lokale, regionale, nationale of Europese identiteit, en bovenal aan de waarde van een open en kritische samenleving.


In een baan om de aarde

Het belangrijkste van mijn betoog ligt besloten in het realiseren van een visie, raamwerk, verhaal, op kunst en cultuur waarin nadrukkelijk ook anderen worden betrokken dan louter en alleen de kunst- en cultuursector zelf.
Dat is nog niet zo eenvoudig, want afgebakende terreinen maken het leven en de politiek overzichtelijk, en zodoende draait elke sector, of dat nu onderwijs, wetenschap, kunst of vormgeving is, in zijn eigen baan om de aarde, met eigen targets, eigen brandstof en eigen problemen.

Maar 2021 is het nog niet, en er zijn al grotere dingen vertoond: Brave New World van Aldous Huxley, ooit een voorbeeld van far-fetched fictie, is al drie keer werkelijkheid geworden, en het doemscenario 1984, dat een wilde fantasie leek, is een lachertje als je ziet waar we nu staan in termen van privacy.

Laat ik optimistisch eindigen: soms gaat er wel iets vanzelf: de waardering en honorering van de kunstenaar zal recht evenredig met de robotisering stijgen, omdat de marktwaarde van creativiteit omhoog gaat. Dat is namelijk het moeilijkst te kopiëren deel van de menselijke activiteit. Wat robots namelijk nog niet zo makkelijk leren is: omgaan met de ongezochte vondst, de onverwachte emotie en een ongeprogrammeerde toekomst.

Barbara Visser, 26 september 2016
De Toekomst van het cultuurbeleid vanaf 2021
Ministerie van OCW, Den Haag

 

Credits lead foto: Barbara Visser